Lucien Perizonius en Petra Deterink, VMO
“Nederland als een metropool beschouwen”
Lucien Perizonius en Petra Deterink, VMO
Zeist,
04
juli
2018
|
17:29
Europe/Amsterdam

“Nederland als een metropool beschouwen”

“Kijkend naar de transformatie in de sector, zie je in onze regio enkele koplopers die het ongetwijfeld gaan redden. De uitdaging zit in de tachtig procent die nog niet meekomt in de snelheid van innoveren die nodig is. Veelal kleinere bedrijven, tot vijftig medewerkers. Belangrijkste knelpunt daar is kennis, veel meer dan bijvoorbeeld financiering. Je ziet dat deze bedrijven wel de eerste stappen zetten in automatisering, maar vervolgens met de vraag worstelen hoe het verder moet. De ontwikkelingen gaan zo snel, dat het erg lastig is om bij te blijven.”

Voorzitter Lucien Perizonius en directeur Petra Deterink van de Verenigde Maakindustrie Oost (VMO) zien in Oost-Nederland een groeiend besef van de uitdagingen die de sector Metaal & Elektro heeft. “Het merendeel van onze leden ervaart inmiddels in de praktijk dat hun rol in ketens aan het veranderen is”, aldus Perizonius. “Ze merken dat klanten steeds nadrukkelijker willen meedenken over het eindproduct en de totstandkoming daarvan. En ze voelen dat ook van hen wordt verwacht dat ze buiten hun eigen domein een bijdrage leveren. De vraag die centraal staat, is hoe de businesscase eruit komt te zien en welke rol innovatie daarbij speelt. Hoe gaat die nieuwe maakindustrie gestalte krijgen? Daarin speelt de beschikbaarheid van goed geschoold personeel, met de juiste competenties, een belangrijke rol. De uitstroom van medewerkers wordt nu iets vertraagd omdat men langer moet doorwerken, maar de tekorten worden steeds duidelijker zichtbaar. Dat wordt een cruciale factor in de mate waarin bedrijven in staat zijn tijdig en met voldoende kracht te innoveren.”

In de innovatie van de maakindustrie, zeker voor kleinere bedrijven, zouden de zogeheten ‘fieldlabs’ in de regio een belangrijke rol moeten vervullen. Deze ‘field laboratories’ zijn bedoeld als werkplaats die laagdrempelige toegang biedt tot het experimenteren met nieuwe technologieën, bijvoorbeeld voor robotlassen. Plekken dus waar kennis en praktische apparatuur samenkomen. Volgens Deterink worden deze door bedrijven echter nog in onvoldoende mate gevonden. “Ik ken een robotiseringslab in de buurt waar geroepen wordt dat nog te weinig bedrijven gebruikmaken van hun kennis en faciliteiten. Misschien komt het doordat dergelijke labs niet altijd op zichzelf zijn georganiseerd, maar onderdeel uitmaken van een bijvoorbeeld een onderwijsinstelling.” Perizonius vult aan: “Ook wordt door de overheid veel energie gestoken in het stimuleren van innovatie , maar het gebeurt net te weinig praktisch. Het blijft een beetje hangen op beleidsmatig niveau en daardoor worden bedrijven onvoldoende bereikt. Ik denk dat daar voor ons een belangrijke rol ligt. Als belangenorganisatie genieten we het vertrouwen van onze leden, waardoor wij kunnen helpen de benodigde bruggen te slaan.”

In politiek Den Haag en bij landelijke belangenorganisaties lijkt men het erover eens dat de voornaamste motoren van innovatie voor de sector Metaal & Elektro in de regio’s liggen. Herkent VMO dat in de wijze waarop de ontwikkelingen in Oost-Nederland ondersteund worden? “Wij zijn erg betrokken bij de regio’s Zwolle en de regio Twente en van daaruit zie je een sterke lobby richting Den Haag”, vertelt Deterink. “Tegelijkertijd zie je dat Oost-Nederland een andere regio is dan bijvoorbeeld Eindhoven. Dat heeft met bekendheid, maar ook met historie te maken. Brainport Eindhoven heeft haar wortels in een paar grote bedrijven zitten, onder andere Philips. Bedrijven en overheid hebben vervolgens samen het initiatief en de verantwoordelijkheid genomen om tot Brainport te komen. Met geld uit Den Haag, maar ook met financiering uit de regio, vanuit een gezamenlijk en breed gedragen commitment. In Twente bijvoorbeeld krijgen we zoiets veel moeilijker rond. Het is hier veel lastiger om alle gemeentes van de regio tot een gezamenlijke visie te krijgen. Een deel van de financiering moet uit de regio komen en alle gemeentes moeten wel willen bijdragen. De bedoeling is dan dat de landelijke overheid het verdubbelt. Maar we zien steeds meer lokale partijen en organisaties zich binnen of zelfs namens gemeentes met dit spel bemoeien. Zij lijken erg gericht op hun eigen gemeente of deelregio en daardoor wordt het grotere gemeengoed uit het oog verloren. Dat maakt het wel ingewikkeld om als totale regio echt een stap voorwaarts te maken.” Volgens Perizonius heeft dit ook met de structuur van de bedrijvigheid in de oostelijke regio te maken. “We zijn hier een zeer interessant gebied in het technische domein, met een eigen TU in Twente. Dat zullen we nadrukkelijker op de kaart moeten zetten. We hebben in Oost-Nederland veel mkb-bedrijven in de maakindustrie en minder dominantie van grote bedrijven, zoals in Eindhoven met Philips en ASML. De zichtbaarheid van onze mkb-bedrijven kan beter. Op het moment dat we bijvoorbeeld aan organisaties en bedrijven in Duitsland laten zien wat hier allemaal in de regio gebeurt, merk ik dat men zwaar onder de indruk is. We dienen het ze alleen wel actief gaan vertellen. Maar we moeten niet alleen in regio’s denken, ik vind dat we ons in Nederland moeten realiseren dat we als land veel te klein zijn voor allerlei regio’s die primair voor zichzelf aan het werk zijn. Er zijn steden in China die de omvang hebben van Nederland. Noordrijn-Westfalen en een stuk België bij elkaar. We doen er verstandig aan om ons land als geheel als een metropool te beschouwen, waarin we de krachten van al die deelregio’s bundelen. Daar dus ook actief op sturen, in plaats van klein te denken en onnodig te versnipperen.”

Voor VMO is volgens Perizonius een rol weggelegd om niet alleen verbindingen te leggen tussen initiatieven, maar vooral ook dicht bij bedrijven te komen. “Er zijn voldoende loketten en overkoepelende plannen en vergezichten. Belangrijk is wel dat het pragmatisch en down-to-earth blijft en bedrijven zich erin herkennen. Ik merk dat mensen vooral met vergezichten bezig zijn, maar als je die niet kunt vertalen naar de dag van vandaag, wordt het lastig. Context is nodig, dat begrijp ik, maar er is meer. De grote plannen liggen al op de plank, zoals het programma ‘Boost’, gericht op Industry 4.0, in de provincies, Overijssel en Gelderland. Er zijn veel mensen die hun ideeën willen presenteren, maar de uitdaging blijft om dicht bij de vraagkant van de bedrijven te zitten. Op dat grensvlak van ideeën en vragen ligt de ruimte voor vernieuwing. Je ziet daar ook al wel degelijk dingen gebeuren. De trend bijvoorbeeld dat productie in toenemende mate terugkomt naar Nederland: ‘reshoring’. Dat wordt mogelijk, nu technologie een steeds belangrijkere rol speelt in de maakindustrie en er daardoor nieuwe kansen ontstaan om op individuele wensen van klanten in te spelen. Productie op maat dus. In combinatie met het vermogen om in ketens echt tot cocreatie te komen. Dat heeft alles te maken met het feit dat we in ons land weinig hiërarchie kennen: mensen zijn gewend kritisch mee te denken en zelf met ideeën te komen. Bedrijven dus ook. Dat is in mijn ogen een wereldwijd unieke competenties waarmee Nederland een verschil kan maken.”

Boilerplate

Verenigde Maakindustrie Oost (VMO) telt 130 leden en vertegenwoordigt bedrijven in Oost-Nederland. De VMO staat voor het verbinden van bedrijven met elkaar. Om gezamenlijk het succes te vergroten. VMO ondersteunt de Smart Industry door middel van onder meer kennissessies en helpt bedrijven bij het verkennen van internationale kansen. Lucien Perizonius is sinds 1 april voorzitter van VMO. Petra Deterink is 12 jaar werkzaam voor VMO en sinds 1 januari 2018 benoemd als algemeen directeur.

Reacties (0)
Bedankt voor uw bericht.